Amsterdamned ll…Nee

Soms heb je maar één zin nodig.
“Ik was blij dat het niets kostte.”
Amsterdamned II kijkt weg als een zak pinda’s: je eet ’m op, maar vraagt je halverwege af waarom.
Laat ik netjes beginnen.
 
Huub Stapel en Tatum Dagelet doen hun werk. Prima. Vakmensen. En laten we ook Holly Mae Brood niet vergeten.
Charmant, absoluut. Aanwezig, zeker.
Maar ook hier: het script geeft haar simpelweg niets om op te bouwen. Het blijft hangen in mooi in beeld zijn, zonder dat het echt iets toevoegt.
Maar ze staan in een film die het simpelweg niet redt.
Het verhaal is flinterdun.
De dader zie je van mijlenver aankomen.
Spanning? Nauwelijks.
 
En ja… die scène met die brandende etalagepoppen op een waterfiets.
Dat is geen thriller, dat is onbedoelde komedie.
De rest zakt er nog verder doorheen.
Met als dieptepunt die persfotograaf. Zo gemaakt, zo houterig dat je meteen uit de film valt.
 
En dan de reclame. Productplacement.
Niet subtiel. Niet slim. Gewoon erin geduwd.
De Telegraaf ligt pontificaal in beeld.
Heineken krijgt meer aandacht dan het verhaal.
Je ziet SPAR (met het oog op de release in andere Europese landen), Douwe Egberts en Mastercard alsof je door een folder bladert.
En het stopt niet.
Lenovo ThinkPad, Yamaha, Diks Autoverhuur, Arena Sportswear, AT5…
het zit er allemaal in.
 
Zelfs de stad wordt een etalage.
Artis, het Rijksmuseum, Camping Zeeburg…
mooie plekken, maar hier vooral decor zonder ziel.
Het voelt alsof je naar een lange commercial zit te kijken met af en toe een stukje film ertussen.
 
Sterker nog: de reclameblokken van Amazon Prime Video zelf waren beter. Serieus.
Een verademing. Even tempo. Even helder. Even iets dat wél weet wat het is.
 
De eerste Amsterdamned had nog rauwheid. Sfeer met inhoud.
Dit is alleen nog maar verpakking.
Open einde erbij… klaar.
 
En dan blijft er één vraag hangen:
Was er gisteravond nog iets slechters te zien dan Nederland – Noorwegen?
Jawel.
 
Ik keek op Amazon Prime Video naar Amsterdamned II.

Te grote schoenen en een veel te groot pak

Een omroep uit Meierijstad die het debat in Maashorst denkt te leiden

Ruud Coolen van Brakel en Patrick Huisman

foto AI Google Gemini

Soms kijk je naar een politiek debat en vraag je je af: waar gaat dit eigenlijk nog over? Over Maashorst? Over de toekomst van Uden en de dorpen? Of over de ego’s van de gespreksleiders die denken dat zij het middelpunt van de avond zijn? Het lijsttrekkersdebat in De Pul in Uden had een serieuze avond moeten zijn. Een moment waarop de kiezer rustig kon horen wat partijen willen met woningbouw, veiligheid, opvang en de toekomst van een jonge fusiegemeente.

Maar wat we zagen was iets anders.

Ruud Coolen van Brakel en Patrick Huisman leken minder geïnteresseerd in het debat zelf dan in hun eigen rol daarin. Van Brakel met weinig kennis van de regio en Huisman had niet alleen de spreekwoordelijke ’te grote’ schoenen maar een veel te groot pak aan en dat paste helemaal niet, hij maakte er bij vlagen een persoonlijke voorstelling van.

Het verschil in behandeling tussen partijen was namelijk pijnlijk zichtbaar. BBB, SP, Lokaal Maashorst, FvD en zelfs de Gewoon-VVD werden met regelmaat onderbroken, scherp weggezet of op een toon aangesproken die weinig met journalistieke neutraliteit te maken had. Tegelijkertijd kreeg de zittende coalitie alle ruimte om hun verhaal te doen. En ook de linkse combinatie van PvdA, D66, GroenLinks en PRO kon opvallend comfortabel spreken zonder dat er voortdurend doorheen werd gehakt.

Dat is geen journalistieke scherpte. Dat is selectief streng zijn.

Het absolute dieptepunt was de manier waarop Christa van de Langenberg (Lokaalmaashorst) door Patrick Huisman werd benaderd. Dat had weinig met kritisch interviewen te maken en veel met iets wat in Brabant gewoon laf en laaghartig heet.Je mag een politicus stevig bevragen. Graag zelfs. Maar iemand zichtbaar kleiner maken en op de man of in dit geval op de vrouw te spelen omdat je hem of haar politiek niet ligt, dat is geen journalistiek. Dat is persoonlijke irritatie vermomd als debatleiding.

Elke journalist leert één simpele regel: als je iemand niet mag, zorg dat niemand het merkt. Die professionaliteit ontbrak hier volledig. Vooral bij Patrick Huisman

Wat het nog wranger maakt, is het volgende.

Deze omroep heeft een lokale vergunning voor Uden / Maashorst. Dat is de reden dat er subsidie en publieke middelen richting deze club gaan. Maar de praktijk is dat de organisatie grotendeels vanuit Veghel opereert. En daar zit precies de rare spanning.

Een omroep die haar wortels buiten de gemeente heeft liggen, die met gemeenschapsgeld een debat organiseert, en vervolgens tijdens dat debat zichtbaar moeite heeft om neutraal te blijven tegenover een deel van de politieke partijen.

Dan mag je als kijker best een simpele vraag stellen: waar betalen we dit eigenlijk voor? Voor een eerlijk debat?

Of voor een avond waar de gespreksleiders denken dat zij de hoofdrol spelen? Een debatleider hoort onzichtbaar te zijn. Een scheidsrechter die het spel laat spelen door de politici. Niet iemand die zelf meedoet aan de wedstrijd. Als dat verschil niet meer wordt begrepen, dan blijft er uiteindelijk maar één conclusie over. Deze twee hadden beter in hun eigen verzonnen schuilkelder kunnen blijven zitten met hun flesje water en een noodpakket.

Dit was een debat van een lokaal omroepje dat met subsidie een beetje staat te rommelen in de marge terwijl de democratie probeert te spreken.

Ik ben geen restcapaciteit

Ik lees het coalitieakkoord. Niet vluchtig, niet met de woede van de dag, maar zoals ik vroeger de krant las: rustig, aandachtig, pen in de hand. En hoe verder ik kom, hoe sterker dat gevoel wordt dat me de laatste jaren vaker bekruipt: ze praten over ons, maar niet met ons.

De kiezer heeft gesproken, zo wordt altijd gezegd. Maar wie eerlijk kijkt, ziet iets anders. De kiezer heeft gesproken, ja — alleen is zijn stem ergens blijven hangen tussen spreadsheets, modellen en Brusselse voetnoten. Wat eruit rolt, is beleid dat klopt op papier, maar wringt in het leven.

Ik kom uit een wereld waar werk geen beleidsinstrument is, maar iets wat je lijf doet. Waar je ’s avonds voelt wat je overdag hebt gedaan. Waar verantwoordelijkheid niet wordt gemeten in KPI’s, maar in doorzetten. En precies daar gaat het mis. Want in Den Haag bestaat slijtage nauwelijks meer. Daar heet het restcapaciteit.

Als je lang genoeg hebt getild, gesjouwd, gereden, gezorgd of gebouwd, komt het moment dat je lichaam niet meer meewerkt. Dat is geen zwakte. Dat is de rekening van jaren meedoen. Maar in het beleid wordt dat moment verdacht. Dan “kun je misschien nog iets anders”. Iets lichts. Iets zittends.

Containers ophalen.

Vuilcontainers.

“Dat is toch zittend werk?”

Ja ja.

Dit is de technocratische wreedheid van onze tijd: mensen reduceren tot functies, niet tot levens. Alsof een versleten rug verdwijnt zodra je een andere functietitel opschrijft. Alsof een hart, een hoofd of een lijf zich laat overtuigen door een beleidsregel.

En ondertussen gaat het grote geld naar grote woorden. Klimaat. Stikstof. Europa. Defensie. Begrijp me goed: sommige daarvan zijn noodzakelijk, zelfs onontkoombaar. Maar het schuurt dat er wél miljarden zijn voor abstracte doelen en internationale ambities, terwijl de prijzen voor energie, voedsel, wonen en zorg gewoon blijven stijgen. Dat zijn geen modellen. Dat zijn boodschappenbriefjes.

De zorg wordt efficiënter genoemd, maar voelt krapper. Ouderen wachten langer. Zorgverleners lopen op hun tandvlees. Niet omdat ze niet willen, maar omdat ze niet meer kunnen. Toch trekt niemand een morele grens. Zolang het systeem draait, mag de mens blijkbaar even wachten.

De landbouw wordt “getransformeerd”, heet dat. In de praktijk betekent het dat een sector die generaties lang voedsel leverde, nu vooral als probleem wordt gezien. Subsidies als pleister, dreiging als ondertoon. Wie het niet redt, verdwijnt. Netjes, juridisch correct, maar onherroepelijk.

En dan asiel. Daar stemde een meerderheid voor hardheid, voor grip, voor grenzen. Wat krijgen we? Procedures, kaders en Europese afstemming. Met andere woorden: nauwelijks verandering. Maar de gevolgen blijven wel bestaan en de rekening komt niet daar terecht waar het probleem wordt benoemd, maar bij de sociale zekerheid, bij de zorg, bij mensen die al jaren dragen.

Wat mij misschien nog het meest stoort, is de toon. Die kalme zekerheid waarmee dit alles wordt gepresenteerd. Alsof het logisch is. Onvermijdelijk. Alsof er geen keuzes worden gemaakt. Terwijl dit akkoord één grote keuze is: sterk naar buiten, terughoudend naar binnen.

De staat toont daadkracht richting klimaatdoelen en geopolitiek, maar aarzelt als het gaat om bescherming van zijn eigen burgers. Hard waar het kan. Voorzichtig waar het moet.

En alsof dat allemaal nog niet genoeg is, komt daar de Haagse werkelijkheid bij: meerderheden zoeken, dealen, schuiven. Voor wat, hoort wat. Beleid wordt geen antwoord op de kiezer, maar een onderhandelingsproduct. En in dat spel winnen nooit de mensen zonder lobby. Niet de bouwvakker. Niet de verzorgende. Niet de boer. Niet de chronisch zieke.

Ik kijk hiernaar en denk niet: dit is ingewikkeld.

Ik denk: dit is losgeraakt.

Niet van links of rechts, maar van de werkelijkheid. Van de bouwplaats. Van het verpleeghuis. Van de keukentafel. Van mensen die geen lobby hebben, maar wel elke dag opstaan.

En dan kom ik bij het einde. Niet omdat alles is gezegd, maar omdat het genoeg is geweest.

Wat hier terugkeert, langzaam maar onmiskenbaar, is iets ouds. Iets waarvan we dachten dat we het achter ons hadden gelaten. Neoliberalisme in zijn herboren vorm, keurig verpakt, rationeel toegelicht, moreel verantwoord. Dankzij D66 en VVD, hand in hand, terug op het pluche.

De markt weet het beter. De burger moet meebewegen.Wie niet kan, moet het uitleggen.

Wie slijt, moet omscholen. Wie achterblijft, heeft vast iets verkeerd gedaan. Het is beleid met een glimlach, maar zonder compassie. Dus ja, laten we het beestje maar bij de naam noemen:

Make Holland Great Again.

Voor wie het redt. Voor wie meekomt. Voor wie past in het model. Ik kijk om me heen en vraag me af: waar blijven de baseballcaps? De slogans? De merchandise? Want de geest is al terug. Alleen de petten ontbreken nog.

En misschien is dat wel het meest zorgelijke.Dat het allemaal zo netjes gaat.

Zo rationeel.

Zo weloverwogen.

Tot je ineens beseft dat je geen burger meer bent, maar een kostenpost.

Geen mens, maar een functie.

Geen leven, maar restcapaciteit.

Wie een land bestuurt alsof het een bedrijf is, moet niet verbaasd zijn als mensen zich uiteindelijk geen inwoner meer voelen — maar afgeschreven personeel.