De wel, waar Uden leerde zwemmen

Zwembad de wel.
Voor wie erbij was, klinkt het nog altijd als een belofte. Eind 1973 gingen de deuren open, en heel Uden rook een nieuwe toekomst: chloor, recreatie/wedstrijdbad en avontuur in één ademteug.

Het kloppende hart van het sportieve Uden
Binnen klonk het bad als een levende machine. Een verzamelpunt van verenigingen die hun eigen ritmes meenamen.
Zeester-Prinssen, later Zeester-Meerval, waar je het zinderende klotsen van waterpolo bijna als oorlogsdreun kon horen. Dát spel… dat was geen sport, dat was onderwater-cavalerie. De ellebogen scherp, de spieren strak, de scheidsrechter die soms nauwelijks kon onderscheiden wie er nou echt zwom en wie zijn tegenstander probeerde te verzuipen liefdevol, natuurlijk. Het geluid alleen al: het plof-plof-plof van de bal op het water, het gebrul van de jongens die geen tijd hadden om adem te halen. Een storm in een zwembad.

Daarnaast ZIOG, vriendelijke levensgenieters die van een zwembad een huiskamer maakten met de ontelbare 24-uurs zwemmarathons in het voorjaar.

Scyllias, de duikers, die klonken alsof ze uit een mythische onderwereld kwamen Ski-li-jas, een woord dat zó soepel over de tong gleed dat je bijna wilde geloven dat het Grieks was voor “wij ademen water”.

De wachters van het water
En door het geheel zag je hen: Jan van de Vorle, Frank Prinsen, Joost Jansen en Ad van den Oetelaar. Vier wachters die met een fluitje, een blik of een knik hele generaties Udenaren door hun A, B en Vaardigheid 1 en 2 heen loodsten. Zij waren de ogen die alles zagen wat niet mocht, zelfs wat niet kon.

En heus… het bad leefde zeven dagen per week.
De basisscholen uit Uden en toen nog gemeente Zeeland, de Koninklijke Luchtmacht van Volkel – iedereen probeerde dat water warm te houden met hun eigen verhalen.

Het ritueel na het zwemmen
Maar… alle inspanning, al die sprintjes van het startblok, die zinderende waterpolowedstrijden, die zweminstuiven waarbij je dacht dat het nooit donker zou worden alles kwam neer op één heilig ritueel:
Friet met mayo en een cola bij Club-Olympus.

Henk Ancher, de maestro van de mayo
O, Henk Ancher… Wie hem niet kent, kent het zwembad niet.
Je stapte door die deur, nog druipend, het haar kleverig van het chloor, de ogen rood van het duiken. En daar lag het: de geur van versgebakken friet die elke gedachte in je hoofd naar één punt dirigeerde eten. Die mayo was geen saus, dat was balsem voor de ziel. En die cola… oei, die prikte niet, die zong.
En dan dat tafeltje. Zo dicht op de randen van de “hoge”, het iconische diepe bad, dat je de badgasten haast kon aanraken. Sterker nog: als iemand een iets te enthousiaste bommetje maakte, kon jouw cola gaan rimpelen.

Een dorp dat ademde in water
Het zwembad leefde. Het ademde. En het voedde een dorp.
Het bad is verdwenen. De stenen zijn weg. Maar de herinnering? Die blijft zwemmen. En niet zachtjes ook nee, in borstcrawl, met waterpolofurie, met de smaak van mayo nog op de tong.

Echo’s in het heden
En ergens hoor je de oude stem van Henk Ancher, een zucht die nu haast poëzie is:
“Twee friet mayo en twee cola… wie had die ook alweer?”

En dan weet je:
Het was Uden.
Het was jóuw Uden.
En het leeft nog.
In jou.
In ons.
In een tijd die blijft rondcirkelen als een eindeloos baantje in De Wel.

Fotograaf: Onbekend. Fotorestauratie en inkleuring: Huub de Goeij.

Wat er geleefd werd – Pastorie Petruskerk, 1915

In de pastorie naast de Petruskerk werd niet alleen gebeden. Dat denken alleen mensen die geloven dat vroeger alles vromer en braver was dan nu. Maar ook hier speelde het leven zich gewoon af met lange dagen, korte nachten en momenten waarop de jas losging.

De pastoor was een man van gezag, maar geen marmeren beeld. Overdag onberispelijk, ’s avonds soms wat losser. Dan werd het stiller in huis. De huishoudster had haar werk gedaan, de kapelaan bleef nog even hangen. Niet uit plicht, maar uit gewoonte. Of gezelschap. Dat woord sprak niemand uit, maar iedereen kende het.

In de voorkamer stond een zware tafel, zonder frutsels. Een karaf degelijke wijn, later een glas cognac. Een dikke sigaar, zorgvuldig aangestoken – zelfs rook was toen een ritueel. De geur trok door het huis, mengde zich met hout, papier en stilte. Zo’n geur die blijft hangen, ook als niemand meer weet waarom.

De kapelaan luisterde meer dan hij sprak. Jonger, scherper misschien, maar nog zoekend. De pastoor vertelde over parochianen, over zorgen die nooit in preken terechtkwamen. Soms werd er gelachen, zacht, bijna schuldbewust. Alles had zijn plaats, zolang het maar binnenskamers bleef.

En dan was er de huishoudster. Zij hoorde alles, zag alles, en zei niets. Ze schonk bij, zette een schaaltje neer, keek soms net iets te lang – of juist helemaal niet. Ze wist wanneer ze moest verdwijnen en wanneer niet. Er werd over haar gefluisterd, vanzelfsprekend. Maar nooit met naam en toenaam. Fatsoen was ook een vorm van zwijgen.

Het dorp wist genoeg om te denken, maar te weinig om te weten. En dat was precies goed. Roddelen is van alle tijden, maar vroeger wist men nog wanneer het moest stoppen. Sommige verhalen mochten blijven zweven, ergens tussen waarheid en verbeelding, als sigarenrook tegen een hoog plafond.

Buiten lag de Kerkstraat er rustig bij. Binnen tikte de klok. Het huis hield alles vast: woorden, blikken, stiltes. Het oordeelde niet. Het noteerde niets. Het stond er alleen maar – betrouwbaar, discreet, met dat steile leien dak dat alles netjes liet aflopen.

Misschien is dat de ware geschiedenis van deze pastorie: niet wat er officieel gebeurde, maar wat er geleefd werd. Met een goed glas, een stevige sigaar, en genoeg beschaving om nooit alles uit te spreken.