Shure SM7B

Een bureau, twee schermen, de golf van geluid die rustig voorbij rolt in Audition… en daar hangt-ie dan, vertrouwd als vroeger: de Shure SM7B. Zo’n microfoon waar je niet tegen praat, maar waar je mee samenwerkt. Die je dwingt om rustig te ademen, netjes te articuleren… en die je vervolgens beloont met een warm, eerlijk geluid.
 
Het bracht me even terug naar Oss. Raadhuislaan. Maasland FM/Dtv Oss in de jaren 90. Dáár maakte ik voor het eerst kennis met Shure… toen nog gewoon de Shure SM7. De basis, het begin. Andere tijden, andere techniek, maar dezelfde liefde voor het vak. En ergens is het mooi dat die lijn nooit echt is verdwenen.
 
En het mooie is… je blijft sleutelen. Een beetje EQ hier, een tikje compressie daar… en ineens komt een stem tot leven. Alsof je een foto ontwikkelt in een donkere kamer. Geduld, gevoel, en weten wanneer je moet stoppen.

De kaalslag van de zomerzondag op de ARD

Foto ARD/SWR
 
Er zijn van die momenten waarop je niet meteen boos wordt, maar stil. Omdat je voelt dat er iets verdwijnt wat groter is dan het besluit zelf. Het stoppen van Immer wieder sonntags is zo’n moment. Dit is geen programma dat verdwijnt, dit is een traditie die wordt losgelaten.
 
De zomerzondag op de ARD had een ritme. Een eigen adem. Het was geen televisie die zich opdrong, maar televisie die er gewoon was. Met muziek die niet hoefde te schreeuwen om gehoord te worden, met artiesten die niet perfect hoefden te zijn om te raken.
En precies dat wordt nu weggehaald. De volkstĂĽmliche muziek en de volksmuziek verliezen hiermee hun laatste grote, publieke podium op een moment dat ertoe deed. Niet diep in de nacht, niet ergens verstopt, maar midden op de dag. Zichtbaar. Toegankelijk. Menselijk.
 
Voor de grote namen verandert er weinig, die blijven wel draaien in de grote shows en op de grote podia. Maar juist die groep daaronder, de artiesten die groeien, die bouwen, die nog afhankelijk zijn van zichtbaarheid, die worden geraakt. Die verliezen hun plek. Hun kans. Hun bĂĽhne in het Europa-Park, waar het publiek nog echt kon ontdekken.
En ja, er zijn nog de megashows. De strak geregisseerde avonden van Die Feste mit Florian Silbereisen of bij het ZDF met de Giovanni Zarrella Shows. Groot, indrukwekkend, technisch perfect. Maar het zijn andere werelden. Werelden waarin alles klopt, maar waarin weinig meer gebeurt dat niet al bedacht is.
 
Daar kan niets tegenop wat op een zondagochtend ontstaat. Die kleine optredens, die losse momenten, die sfeer die niet door Eventim of een platenmaatschappij is dichtgeregeld. Dat is geen productie, dat is leven.
 
Stefan Mross, met zijn Beierse tongval, zonder franje, zonder gemaakte perfectie. Een man die daar gewoon was. Die met zijn camper dagenlang in Rust verbleef, tussen de mensen, tussen de techniek, en daar ook nog radio maakte. Die de zondag niet speelde, maar beleefde. Dat voel je. Dat hoor je. Dat kun je niet namaken.
 
En ja, dat was ook die zondag waarop je thuis, gewoon hier, even mocht meedoen. Een beetje FrĂĽhschoppen aan de buis, een pilsje, een Weizen, misschien een Schnaps. Niet uit gewoonte, maar uit gevoel. Omdat het paste bij dat moment van rust, van even niks moeten.
 
En dan begint het straks nog één keer. Op zondag 31 mei 2026. Nog één seizoen, nog één reeks zondagen waarop alles samenkomt zoals het altijd was. Maar met de wetenschap die als een schaduw over elke uitzending hangt: dit is de laatste. Elk applaus klinkt net iets langer, elk liedje net iets zwaarder, omdat je voelt dat het niet meer vanzelfsprekend is.
Dat soort zondagen worden nu ingeruild voor iets anders. Iets moderners, iets strakkers, iets dat beter in schema’s past. Maar ook iets dat verder afstaat van de mens.
 
We leven in een tijd waarin alles wordt teruggebracht tot cijfers, doelgroepen, algoritmes, spanningsbogen en strategie. Maar wat hier verdwijnt, laat zich niet meten. Het is de ziel van een zondag. De rust. De herkenning. De plek waar muziek nog gewoon muziek mocht zijn. Bezuinigingen…tja. De kaalslag van de zomerzondag op de ARD is daarmee geen kwestie van programmering, maar een teken van de tijd. Een tijd die steeds minder ruimte laat voor het ongepolijste, het rustige, het echte.
En juist dat gaan we missen. Niet morgen misschien. Maar straks, als het stil wordt op een plek waar het altijd een beetje klonk.

De Sport zonder ziel

 
“La Primavera”. Milaan – San Rema Voor het eerst een prooi voor Tadej Pogacar. Er was een tijd dat wielrennen nog rook naar nat asfalt, zweet en kettingolie. Geen cijfers, geen schermpjes, geen eindeloze grafieken. Gewoon mannen op fietsen die vochten tegen elkaar, tegen de berg, tegen zichzelf. Je zag het lijden, je voelde het in je eigen benen terwijl je thuis op de bank zat.
En ja, ook toen werd er gesjoemeld. Laten we daar niet kinderachtig over doen. Maar zelfs in die schemerzone bleef er iets overeind: de mens. De breekbaarheid. De dag dat iemand een slechte dag had en gewoon loste. Dat hoorde erbij.
 
Nu kijken we naar een andere wielerwereld.
Een wereld waarin alles gemeten wordt, berekend, geoptimaliseerd. Waar de koers niet meer openbreekt, maar wordt uitgereden volgens plan. Waar een renner als Tadej Pogačar ogenschijnlijk boven alles en iedereen uitstijgt. Niet één keer, niet toevallig, maar structureel. En precies daar begint het te wringen.
Want sport hoort niet perfect te zijn. Natuurlijk is het kanp dat Tadej wint na een val vlak voor de Cipressa, Van der Poel kon de gevallen wereldkampioen niet ontwijken en viel ook. Maar was de winst helemaal onverwacht? 
 
Sport hoort te schuren.
Als iemand alles kan, altijd, overal, zonder zichtbare barst, dan verdwijnt het verhaal. Dan blijft er geen strijd over, maar een demonstratie. En demonstraties horen thuis in een laboratorium, niet op de flanken van een berg.
Men zal zeggen: het is de vooruitgang. Data. Wetenschap. Voeding. Training. Allemaal waar. Maar vooruitgang zonder twijfel is geen vooruitgang, dat is vervreemding.
We hebben dit eerder gezien.
Met Lance Armstrong geloofden we ook wat we zagen. Tot het kaartenhuis instortte en bleek dat wat bovenmenselijk leek, simpelweg niet menselijk was.
 
En nu zitten we met de erfenis daarvan.
We geloven niet meer.
Of beter gezegd: we durven niet meer te geloven.
De tragiek is dat de sport dat zelf heeft veroorzaakt. Jaar na jaar, leugen na leugen, tot het vertrouwen zo dun werd als een versleten band op een kasseistrook. En dus haakt de liefhebber af. Niet omdat hij het niet meer mooi vindt, maar omdat hij het niet meer voelt. Omdat hij niet meer weet waar hij naar kijkt. Omdat bewondering plaats heeft gemaakt voor argwaan.
Misschien is dat wel de grootste nederlaag van het moderne wielrennen.
Niet de doping.
Niet de dominantie.
Maar het verlies van geloof.
En zonder geloof… is zelfs de mooiste overwinning leeg.
 

De wereldbrand die niemand meer kan blussen

We blijven zoeken naar een beginpunt. Een datum waarop iemand zei: nu is het een echte wereldoorlog. Maar misschien ligt dat moment al achter ons.
11 september 2001.
Sinds die dag is de wereld niet meer tot rust gekomen. Wat begon als een schok, werd een kettingreactie van conflicten, mislukkingen en nieuwe vijandsbeelden. En terwijl we bleven volhouden dat het geen wereldoorlog was, sloeg het vuur steeds verder om zich heen een uitslaande, allesverterende brand die niemand nog onder controle heeft.
De oorlog in Afghanistan eindigde na twintig jaar in een chaotische aftocht.
De invasie van Irak liet een land achter dat nooit meer stabiel werd.
De strijd tegen IS werd militair gewonnen, maar niet beëindigd: de ideologie verspreidde zich, van het Midden-Oosten tot Afrika en Azië.
 
Het zijn geen losse dossiers meer. Het zijn vlammen die samen één wereldwijde vuurzee vormen.
En daarbovenop het terrorisme.
In Europa, waar aanslagen het gevoel van veiligheid blijvend hebben aangetast.
In de Verenigde Staten, waar het allemaal begon met die ene dag.
In Azië en Afrika, waar terreur soms bijna onderdeel van het dagelijks leven is.
Zelfs in Australië, dat dacht ver weg te zijn van de grote spanningen.
 
Terrorisme is geen randverschijnsel meer. Het is een permanente onderstroom van angst die overal doorheen loopt.
 
Leiders die geschiedenis willen schrijven
Wanneer leiders zichzelf zien als historische figuren, wordt de wereld het toneel waarop hun verhaal moet worden uitgevochten.
Niet voorzichtig.
Niet diplomatiek.
Maar met grote, gevaarlijke bewegingen.
Het gevolg is een wereld die niet wordt bestuurd, maar geduwd richting confrontatie, richting escalatie, richting een toekomst die niemand echt overziet.
 
Europa in de vuurlinie
 
Europa voelt die druk elke dag. Cyberaanvallen die blijven prikken.
Energieprijzen die dansen op het ritme van geopolitiek.
Een economie die kraakt. Samenlevingen die onder spanning staan door migratie, onzekerheid en groeiend wantrouwen. Geweld op straat en aan de oostflank schuift het gevaar dichterbij:
Finland, de Baltische staten, Moldavië, via Wit-Rusland richting Polen. Grenzen die ooit veilig leken, zijn dat niet meer. Rusland wil de oude invloedssfeer herstellen.
 
En boven dit alles hangt de schaduw van kernwapens. Landen die elkaar in een fragiel evenwicht houden.
Een evenwicht dat niemand durft te testen, maar ook niemand echt vertrouwt. Alleen al het bestaan van die wapens maakt elke crisis potentieel catastrofaal.
 
De vraag die niemand wil stellen
De vraag is niet meer wanneer de Derde Wereldoorlog begint.
Die begon al op 11 september 2001.
Misschien leven we al bijna een kwart eeuw in een conflict dat we weigeren zo te noemen. Omdat het geen klassieke oorlog is.
Geen loopgraven, geen frontlinies, geen officiële oorlogsverklaring.
 
Maar een strijd op alle fronten tegelijk:
-Militair.
-Economisch.
-Digitaal.
En via terreur, dat overal opduikt en nergens verdwijnt.
De wereld staat niet in brand.
De wereld Ă­s de brand.
 
En het ongemakkelijke is dit:
we leven er middenin, terwijl we nog steeds doen alsof het iets is dat nog moet beginnen. Omdat we het simpelweg niet willen geloven…
 
(Op de kaart heb ik de oorlogsvoerende landen, de conflictgebieden en de dreigingen ingetekend…hoezo geen wereldconflict? )
Wellicht geen leuke post voor een zaterdag maar wel de realiteit van het voorjaar 2026.

Te grote schoenen en een veel te groot pak

Een omroep uit Meierijstad die het debat in Maashorst denkt te leiden

Ruud Coolen van Brakel en Patrick Huisman

foto AI Google Gemini

Soms kijk je naar een politiek debat en vraag je je af: waar gaat dit eigenlijk nog over? Over Maashorst? Over de toekomst van Uden en de dorpen? Of over de ego’s van de gespreksleiders die denken dat zij het middelpunt van de avond zijn? Het lijsttrekkersdebat in De Pul in Uden had een serieuze avond moeten zijn. Een moment waarop de kiezer rustig kon horen wat partijen willen met woningbouw, veiligheid, opvang en de toekomst van een jonge fusiegemeente.

Maar wat we zagen was iets anders.

Ruud Coolen van Brakel en Patrick Huisman leken minder geïnteresseerd in het debat zelf dan in hun eigen rol daarin. Van Brakel met weinig kennis van de regio en Huisman had niet alleen de spreekwoordelijke ’te grote’ schoenen maar een veel te groot pak aan en dat paste helemaal niet, hij maakte er bij vlagen een persoonlijke voorstelling van.

Het verschil in behandeling tussen partijen was namelijk pijnlijk zichtbaar. BBB, SP, Lokaal Maashorst, FvD en zelfs de Gewoon-VVD werden met regelmaat onderbroken, scherp weggezet of op een toon aangesproken die weinig met journalistieke neutraliteit te maken had. Tegelijkertijd kreeg de zittende coalitie alle ruimte om hun verhaal te doen. En ook de linkse combinatie van PvdA, D66, GroenLinks en PRO kon opvallend comfortabel spreken zonder dat er voortdurend doorheen werd gehakt.

Dat is geen journalistieke scherpte. Dat is selectief streng zijn.

Het absolute dieptepunt was de manier waarop Christa van de Langenberg (Lokaalmaashorst) door Patrick Huisman werd benaderd. Dat had weinig met kritisch interviewen te maken en veel met iets wat in Brabant gewoon laf en laaghartig heet.Je mag een politicus stevig bevragen. Graag zelfs. Maar iemand zichtbaar kleiner maken en op de man of in dit geval op de vrouw te spelen omdat je hem of haar politiek niet ligt, dat is geen journalistiek. Dat is persoonlijke irritatie vermomd als debatleiding.

Elke journalist leert één simpele regel: als je iemand niet mag, zorg dat niemand het merkt. Die professionaliteit ontbrak hier volledig. Vooral bij Patrick Huisman

Wat het nog wranger maakt, is het volgende.

Deze omroep heeft een lokale vergunning voor Uden / Maashorst. Dat is de reden dat er subsidie en publieke middelen richting deze club gaan. Maar de praktijk is dat de organisatie grotendeels vanuit Veghel opereert. En daar zit precies de rare spanning.

Een omroep die haar wortels buiten de gemeente heeft liggen, die met gemeenschapsgeld een debat organiseert, en vervolgens tijdens dat debat zichtbaar moeite heeft om neutraal te blijven tegenover een deel van de politieke partijen.

Dan mag je als kijker best een simpele vraag stellen: waar betalen we dit eigenlijk voor? Voor een eerlijk debat?

Of voor een avond waar de gespreksleiders denken dat zij de hoofdrol spelen? Een debatleider hoort onzichtbaar te zijn. Een scheidsrechter die het spel laat spelen door de politici. Niet iemand die zelf meedoet aan de wedstrijd. Als dat verschil niet meer wordt begrepen, dan blijft er uiteindelijk maar één conclusie over. Deze twee hadden beter in hun eigen verzonnen schuilkelder kunnen blijven zitten met hun flesje water en een noodpakket.

Dit was een debat van een lokaal omroepje dat met subsidie een beetje staat te rommelen in de marge terwijl de democratie probeert te spreken.

De Stoomtram

De Kapelstraat/Oude Kerk.

Er zijn foto’s die je niet alleen bekijkt… je stapt er bijna in. Alsof je even een deur opent naar een andere tijd. Deze ingekleurde opname van de Kapelstraat ergens midden jaren dertig is zo’n beeld. Je hoeft je ogen maar een beetje dicht te knijpen en je hoort het bijna: het zachte gesis van stoom, het ritmische tikken van metalen wielen op rails, en ergens in de verte het rustige gerinkel van een fietsbel. Dwars door de Kapelstraat liep toen de stoomtram die Veghel, Uden en Oss met elkaar verbond. Geen onbelangrijke lijn, maar een echte levensader. Niet alleen mensen stapten hier in en uit, ook melk, landbouwproducten, vee, post en goederen voor de winkels reisden met de tram mee. Kijk eens goed naar die rails. Ze liggen er bijna brutaal dicht langs de voordeuren. Alsof de tram dwars door de huiskamers van Uden reed.

Links staan de typische Brabantse burgerhuizen uit de late 19e eeuw. Stevige bakstenen gevels, groene luiken, vaak een winkel of werkplaats aan huis. Misschien zat er in dat pand wel een kruidenier, een café of een kleine handel. In die tijd werkte men letterlijk voor en achter dezelfde voordeur.Op straat heerst een rust die je vandaag bijna niet meer kunt voorstellen. Een eenzame fietser. Misschien een bakker die net zijn ronde heeft gedaan. En daar rijdt een vroege automobiel – waarschijnlijk een Ford, Opel of Chevrolet uit de jaren dertig. In een dorp als Uden waren er toen maar een handvol auto’s. Vaak van de dokter, een notaris, de burgemeester of een welgestelde handelaar. Als zo’n wagen voorbij reed, keek men die nog even na.

De meeste mensen verplaatsten zich simpelweg met de fiets, te voet, met paard en wagen of natuurlijk met de tram. Het leven speelde zich af in een rustig ritme. Overdag werkten boeren op de omliggende velden, ambachtslieden in hun werkplaats en deden vrouwen hun boodschappen bij bakker, slager of kruidenier. In de middag werd er gepraat op straat of in het café. ’s Avonds waren er kerkactiviteiten, fanfare, gilde of een kaartspel aan een houten tafel.

De oude kerk bij het huidige Piusplein was toen al verdwenen uit het straatbeeld, maar de Kapelstraat bleef wat ze altijd geweest is: de ruggengraat van Uden. Hier liep het leven. Hier kwam men elkaar tegen. Hier reed de tram die het dorp verbond met de wereld daarbuiten. In 1939 verdwenen de tram en tijdens de oorlogsjaren werden de rails geruimd. De stoomtram was geschiedenis en het dorp veranderde langzaam van tempo. Maar helemaal weg is hij nooit gegaan. Hij zit nog in de verhalen van opa’s en oma’s.
In vergeelde fotoalbums. En buslijn 157 rijdt nog steeds grotendeels via het oude tracé naar Oss via Nistelrode en Heesch.

En soms, heel even, in zo’n beeld waar het verleden weer tot leven komt. En dan denk ik wel eens: misschien was Uden toen kleiner… maar de verhalen waren groter.

Toen de tram nog zuchtte langs geloof en barmhartigheid. 

Waar geloof, zorg en vooruitgang elkaar kruisten
Er hangt een dunne nevel over de Kerkstraat. De klinkers, kinderkopjes, glanzen nog van de nachtvorst, en de eerste zon zoekt haar weg langs de gevels. Links het woonhuis uit 1880, gebouwd voor een man van aanzien.

Langs de straat, half in beeld, liep ooit het spoor van de stoomtram die van Oss via Uden naar Veghel reed. De bel, het zuchten van de locomotief, het schuren van staal over staal, het was de adem van een streek in beweging. De tram bracht melk, meel, post en mensen. Tot de tijd hem inhaalde: eerst kwam buslijn 57, later 157, en vandaag wordt zelfs die verbinding weer bediscussieerd. De geschiedenis rijdt in rondjes, fluistert men in Uje.

Aan de rechterzijde, achter de rij leilinden, lag het Gasthuis van de Barmhartige Zusters H. Carolus. Zij vestigden zich hier in 1877, gevlucht uit Duitsland voor de Kulturkampf, en begonnen een klein huis voor zieken, armen en ouderen. Daar, tussen gebed en plicht, ontstond de Udense gezondheidszorg. In 1935 groeide het uit tot het Sint-Jansgasthuis, later Huize Sint-Jan. Maar hier, aan deze straat, klopte het eerste hart van de zorg. Niet uit beleid, maar uit barmhartigheid.

Verderop rees het College van het Heilige Kruis. Geen gewone school, maar een groot seminarie van de Kruisheren, waar jongens met een priesterroeping werden gevormd. Ze kregen er een brede gymnasiale opleiding, maar ook lessen in discipline, stilte en zelfbeheersing – voorbereiding op het celibataire kloosterleven. Achter het college stond de Kruisherenkapel, ingetogen en waardig, een toren die niet heerst maar waakt.
De Kerkstraat van toen was een wereld op zichzelf: zorg, geloof, kennis en vooruitgang binnen één straatbeeld. En tussen die werelden liep de tram, smal, glanzend, tijdelijk.

Wie er nu loopt, hoort geen bel meer rinkelen, geen koor meer zingen. Maar als de wind goed staat, lijkt het even alsof ergens achter de muren nog iets nadreunt: het zachte geratel van een wagon, het gefluister van een gebed, en de echo van een dorp dat ooit geloofde dat toewijding geen keuze was, maar een richting.
Echt Uden. Toen de tram nog zuchtte langs geloof en barmhartigheid. 

De kerstversiering op stelling nul.

Zondagochtend bij IKEA Son, overleven tussen de aapjes: een praktijkproef in prikkelverwerking, groepsdynamiek en Zweedse wanhoop.

Wie op zondag naar IKEA gaat, zoekt geen meubels. Die test zijn zenuwstelsel.
Een veldverslag uit het hart van de menselijke chaos waar flatpacks, friet en frustratie samensmelten tot één Zweedse nachtmerrie.

Na maanden stilte besloot ik het weer te proberen: de mensheid.
Met mijn ADHD-hoofd vol goede moed, maar niet zonder voorzorgsmaatregel twee Valdisperts als morele verzekering tegen de chaos. IKEA leek me een goed begin. Of het eind.

Half elf. Drie parkeerdekken vol.
Alsof heel Brabant collectief had besloten dat vandaag het moment was om geluk te kopen in platte dozen. Hemnes, Björk, Kallax namen die klinken als antidepressiva met bijwerkingen. En ik stond ertussen. Niet uit vrije wil, maar omdat “we even wat nodig hadden.”

Eén lift buiten gebruik. Natuurlijk.
Dus perste iedereen zich in de twee overgebleven liften om naar boven of beneden te komen – alsof we deel uitmaakten van het welbekende blikje sardines, maar dan in een Zweeds blik.
Ik vond nog net een winkelwagen: piepend, scheef en met de levenslust van iemand die er zelf liever niet was.

Voor de ingang van de route lag Småland. Het kinderverblijf waar je je kroost kunt inleveren alsof het bagage is. Een ballenbak, wat klimrekken en een paar vermoeide medewerkers die de illusie van toezicht hooghouden. Ouders schuiven hun kinderen er met een glimlach naar binnen, alsof ze zeggen: “Succes ermee, wij gaan meubels kopen.” Het is de enige plek in de winkel waar kinderen wél welkom zijn, maar vooral omdat ze daar niemand in de weg lopen.

De route. IKEA’s geniale psychologische test. Gele pijlen als morele leiband. Niemand durft er vanaf te wijken. Iedereen schuifelt braaf achter elkaar aan, alsof we in therapie zijn voor collectieve besluiteloosheid.

Bij de eerste bocht kwam een jong stel met buggy, op ramkoers. De baby krijste, moeder krijste harder, vader keek alsof hij spijt had van alles sinds 2019. De buggy ramde mijn kar. Geen “sorry”. In IKEA gelden geen fatsoensnormen, alleen overlevingsinstinct.

Binnen rook het naar stress, parfum en goedkope hotdogs. En overal, werkelijk overal, zaten stoffen aapjes. Aan lampen, op bedden, in manden. Ze moesten verkocht worden, dat voelde je. De aap was het nieuwe rendier; een soort pluizige metafoor voor de moderne mens: te lief om weg te gooien, te nutteloos om te houden.

Om me heen klonk een kakofonie van talen: Duits, Pools, Frans, Arabisch, Brabants, Limburgs en Turks alles door elkaar. Alleen geen Zweeds. Die taal staat op dozen met vaak, ook in het Nederlands, onbegrijpelijke montage-instructies.

Mijn kar was op dat moment nog een toonbeeld van bescheidenheid: twee koffiemokken en een pak servetten meer niet. Symbolisch, bijna.
“Wacht hier, ik wil dat even zien,” zei mijn vrouw. En daar stond ik, keurig aan de kant, een menselijk verkeersobstakel met lichte dissociatie. En altijd komen ze dan, die mensen die zich zuchtend langs je heen persen en dan dat passief-agressieve “sorry hoor” uitspreken wat in vertaling gewoon betekent: pleur eens op met die kar, ouwe.

De kinderkamerafdeling was pure cognitieve overbelasting. Gillende kinderen testten bedden en speelgoed alsof ze een emotioneel parcours aflegden. Twee jongens vochten om een knuffel, een meisje rende krijsend rondjes met een plastic zwaard, en ergens in de verte klonk het monotone gehuil van een peuter die zijn zin niet kreeg. Ouders met holle ogen en zweetplekken bewogen op de automatische piloot, alsof ze in een survivaltraining zaten. Een jongetje sprong van een hoogslaper, een ander kroop in de lade onder een kinderbed en weigerde eruit te komen. Niemand reageerde. Ik dacht alleen: dit is geen woonafdeling, dit is een kinderpsychiatrisch experiment.

Daarna de onvermijdelijke familie-stoet: drie generaties breed, alsof ze een bruiloftsoptocht waren die per ongeluk in de IKEA was beland. Voorop liep oma met een handtas die alles blokkeerde, gevolgd door ouders die zichtbaar murw waren van het leven. Daartussen slenterden tieners die luidruchtig klaagden, selfies maakten met knuffels en elkaar met kussens sloegen alsof ze nog kleuters waren. Hun infantiele gekibbel vulde de gang, terwijl opa achteraan met rollator en chirurgische precisie elk pad definitief afsloot. Inhalen onmogelijk. Mijn kar piepte, mijn brein zoemde, mijn cortisol verdampte.

Daar was het restaurant. Of zoals IKEA het zelf noemt: de Zweedse eetbeleving alsof je aan een fjord zit met uitzicht op rendieren, in plaats van naast een peuter met een friet in z’n oor.

Het was elf uur, en ramvol. Een kakofonie van dienbladen, kinderwagens en mensen die met plastic vorken hun waardigheid probeerden te bewaren. Het rook er naar gehaktballen, warme saus en wanhoop.

Voor me zat een gezin aan een tafel die meer op een slagveld leek dan op een eetplek. Dienbladen op elkaar gestapeld, overal friet, servetten en gehaktballen die hun beste tijd gehad hadden. De kinderen dompelden knakworsten in hun drinken, alsof ze deelnamen aan een experiment dat zelfs Zweden niet had goedgekeurd. De moeder, zichtbaar murw, keek niet eens meer op en riep: “Eet nou door, we moeten nog bij de gordijnen kijken!” Een zin die de IKEA-sfeer in één klap samenvatte: praktisch, wanhopig en volkomen zonder perspectief.

En daar zat ik dus, midden in het lawaai, met mijn ADHD-hoofd vol aan, het zweet op mijn voorhoofd en de prikkels overal. Lichten, stemmen, muziek, bestek, kindergehuil. Alles kwam tegelijk binnen. Mijn brein draaide op toeren als een server die elk moment kan crashen.

Overal zat men te kauwen, niet uit honger, maar uit gewoonte. Mensen staarden naar elkaar zoals soldaten dat doen in de loopgraven: gelaten, maar solidair in ellende.

En daarboven klonk de intercom, die mijn innerlijke rust definitief torpedeerde: “Attentie, attentie! Kleine Jimmy van drie jaar is zijn papa en mama kwijt. Hij staat bij de kerstversiering op stelling nul.”

Niemand wist waar dat was, maar iedereen keek alsof stelling nul een geheime afgrond was waar je schoonmoeder woont. Stelling nul. Dat klonk als een plek waar je heengaat om nooit meer terug te keren. En eerlijk gezegd: op dat moment klonk dat niet eens zo slecht.

Na het restaurant volgden de woonaccessoires, door IKEA gepresenteerd als “de rustzone.” Ik noem het de afdeling schijnrust. Kaarsen, mandjes, geurstokjes: alles om te suggereren dat je het thuis wél op een rij hebt.

En toen: het hoogtepunt. Een grote man in een vaal trainingspak dat duidelijk al weken in een exclusieve relatie met zijn drager verkeerde. Een lucht van oud zweet en gelatenheid trok door de gang. Ik hield mijn adem in, maar de lucht won. Sommige mensen ruiken niet naar werk of sport. Die ruiken naar berusting.

Daarna het boodschappenlijstje van mijn vrouw. Zo’n uitprintversie van de IKEA-webshop keurig met productcodes, vaknummers en locaties. “Makkelijk hoor, alles staat erop,” zei ze. Ja, alles behalve logica. De coderingen klopten niet, de vakken ook niet. En dus daalde ik af in het zelfbedieningsmagazijn: stelling 2, vak 4, acht hoog, sectie B. Klinkt onschuldig, maar voelt als een psychologische stresstest in plat karton.

Rijen dozen tot aan het plafond, mensen met steekwagentjes murw van het leven. Een man schreeuwde tegen zijn vrouw: “Niet dié doos! De andere!” Ik keek toe en dacht: dit is geen winkel meer. Dit is exposuretherapie voor sociale irritatie.

Bij de kassa’s dacht ik dat ik vrij was. Tot ik achter een vrouw belandde die haar vriendin stond voor te lezen wat een andere vriendin háár had geappt. Een WhatsApp-bericht dat langer duurde dan dit hele verhaal. Met pauzes, zuchtjes, stemverheffingen en uitleg tussendoor. Ongevraagd werd ik getuige van het complete relationele universum van mensen die ik niet kende, maar waar ik nu wél iets van wist. Ik stond daar met mijn kar volgestouwd met mokken, glazen, kerstverlichting en het laatste restje geduld en voelde hoe mijn hoofd langzaam overschakelde naar vliegmodus.

Eindelijk buiten. Zon op mijn gezicht, zweet in mijn nek, maar vrijheid in mijn longen. Ik keek nog één keer om, zag door het raam een stoffen aapje in een bedje liggen en dacht:

“Dat aapje is de perfecte IKEA-metafoor: nutteloos, maar onuitroeibaar. Het ligt daar te wachten tot iemand het koopt, mee naar huis sleept en na drie weken in een hoek smijt. Net als wij allemaal: verpakt, verkocht, uitgepakt en uiteindelijk vergeten. Alleen dat aapje heeft nog een excuus het is van pluche. Wij niet.”

Ik stapte in de auto, met een suizend hoofd en een flinke hoofdpijn. Tijd om thuis de wereld even uit te zetten, gordijnen dicht, telefoon uit. Een dutje.
Want na IKEA op zondag is er maar één remedie: jezelf tijdelijk inpakken en terug in de doos kruipen.

En de IKEA… nooit meer op zondag.

Ik ben geen restcapaciteit

Ik lees het coalitieakkoord. Niet vluchtig, niet met de woede van de dag, maar zoals ik vroeger de krant las: rustig, aandachtig, pen in de hand. En hoe verder ik kom, hoe sterker dat gevoel wordt dat me de laatste jaren vaker bekruipt: ze praten over ons, maar niet met ons.

De kiezer heeft gesproken, zo wordt altijd gezegd. Maar wie eerlijk kijkt, ziet iets anders. De kiezer heeft gesproken, ja — alleen is zijn stem ergens blijven hangen tussen spreadsheets, modellen en Brusselse voetnoten. Wat eruit rolt, is beleid dat klopt op papier, maar wringt in het leven.

Ik kom uit een wereld waar werk geen beleidsinstrument is, maar iets wat je lijf doet. Waar je ’s avonds voelt wat je overdag hebt gedaan. Waar verantwoordelijkheid niet wordt gemeten in KPI’s, maar in doorzetten. En precies daar gaat het mis. Want in Den Haag bestaat slijtage nauwelijks meer. Daar heet het restcapaciteit.

Als je lang genoeg hebt getild, gesjouwd, gereden, gezorgd of gebouwd, komt het moment dat je lichaam niet meer meewerkt. Dat is geen zwakte. Dat is de rekening van jaren meedoen. Maar in het beleid wordt dat moment verdacht. Dan “kun je misschien nog iets anders”. Iets lichts. Iets zittends.

Containers ophalen.

Vuilcontainers.

“Dat is toch zittend werk?”

Ja ja.

Dit is de technocratische wreedheid van onze tijd: mensen reduceren tot functies, niet tot levens. Alsof een versleten rug verdwijnt zodra je een andere functietitel opschrijft. Alsof een hart, een hoofd of een lijf zich laat overtuigen door een beleidsregel.

En ondertussen gaat het grote geld naar grote woorden. Klimaat. Stikstof. Europa. Defensie. Begrijp me goed: sommige daarvan zijn noodzakelijk, zelfs onontkoombaar. Maar het schuurt dat er wél miljarden zijn voor abstracte doelen en internationale ambities, terwijl de prijzen voor energie, voedsel, wonen en zorg gewoon blijven stijgen. Dat zijn geen modellen. Dat zijn boodschappenbriefjes.

De zorg wordt efficiënter genoemd, maar voelt krapper. Ouderen wachten langer. Zorgverleners lopen op hun tandvlees. Niet omdat ze niet willen, maar omdat ze niet meer kunnen. Toch trekt niemand een morele grens. Zolang het systeem draait, mag de mens blijkbaar even wachten.

De landbouw wordt “getransformeerd”, heet dat. In de praktijk betekent het dat een sector die generaties lang voedsel leverde, nu vooral als probleem wordt gezien. Subsidies als pleister, dreiging als ondertoon. Wie het niet redt, verdwijnt. Netjes, juridisch correct, maar onherroepelijk.

En dan asiel. Daar stemde een meerderheid voor hardheid, voor grip, voor grenzen. Wat krijgen we? Procedures, kaders en Europese afstemming. Met andere woorden: nauwelijks verandering. Maar de gevolgen blijven wel bestaan en de rekening komt niet daar terecht waar het probleem wordt benoemd, maar bij de sociale zekerheid, bij de zorg, bij mensen die al jaren dragen.

Wat mij misschien nog het meest stoort, is de toon. Die kalme zekerheid waarmee dit alles wordt gepresenteerd. Alsof het logisch is. Onvermijdelijk. Alsof er geen keuzes worden gemaakt. Terwijl dit akkoord één grote keuze is: sterk naar buiten, terughoudend naar binnen.

De staat toont daadkracht richting klimaatdoelen en geopolitiek, maar aarzelt als het gaat om bescherming van zijn eigen burgers. Hard waar het kan. Voorzichtig waar het moet.

En alsof dat allemaal nog niet genoeg is, komt daar de Haagse werkelijkheid bij: meerderheden zoeken, dealen, schuiven. Voor wat, hoort wat. Beleid wordt geen antwoord op de kiezer, maar een onderhandelingsproduct. En in dat spel winnen nooit de mensen zonder lobby. Niet de bouwvakker. Niet de verzorgende. Niet de boer. Niet de chronisch zieke.

Ik kijk hiernaar en denk niet: dit is ingewikkeld.

Ik denk: dit is losgeraakt.

Niet van links of rechts, maar van de werkelijkheid. Van de bouwplaats. Van het verpleeghuis. Van de keukentafel. Van mensen die geen lobby hebben, maar wel elke dag opstaan.

En dan kom ik bij het einde. Niet omdat alles is gezegd, maar omdat het genoeg is geweest.

Wat hier terugkeert, langzaam maar onmiskenbaar, is iets ouds. Iets waarvan we dachten dat we het achter ons hadden gelaten. Neoliberalisme in zijn herboren vorm, keurig verpakt, rationeel toegelicht, moreel verantwoord. Dankzij D66 en VVD, hand in hand, terug op het pluche.

De markt weet het beter. De burger moet meebewegen.Wie niet kan, moet het uitleggen.

Wie slijt, moet omscholen. Wie achterblijft, heeft vast iets verkeerd gedaan. Het is beleid met een glimlach, maar zonder compassie. Dus ja, laten we het beestje maar bij de naam noemen:

Make Holland Great Again.

Voor wie het redt. Voor wie meekomt. Voor wie past in het model. Ik kijk om me heen en vraag me af: waar blijven de baseballcaps? De slogans? De merchandise? Want de geest is al terug. Alleen de petten ontbreken nog.

En misschien is dat wel het meest zorgelijke.Dat het allemaal zo netjes gaat.

Zo rationeel.

Zo weloverwogen.

Tot je ineens beseft dat je geen burger meer bent, maar een kostenpost.

Geen mens, maar een functie.

Geen leven, maar restcapaciteit.

Wie een land bestuurt alsof het een bedrijf is, moet niet verbaasd zijn als mensen zich uiteindelijk geen inwoner meer voelen — maar afgeschreven personeel.

De wel, waar Uden leerde zwemmen

Zwembad de wel.
Voor wie erbij was, klinkt het nog altijd als een belofte. Eind 1973 gingen de deuren open, en heel Uden rook een nieuwe toekomst: chloor, recreatie/wedstrijdbad en avontuur in één ademteug.

Het kloppende hart van het sportieve Uden
Binnen klonk het bad als een levende machine. Een verzamelpunt van verenigingen die hun eigen ritmes meenamen.
Zeester-Prinssen, later Zeester-Meerval, waar je het zinderende klotsen van waterpolo bijna als oorlogsdreun kon horen. Dát spel… dat was geen sport, dat was onderwater-cavalerie. De ellebogen scherp, de spieren strak, de scheidsrechter die soms nauwelijks kon onderscheiden wie er nou echt zwom en wie zijn tegenstander probeerde te verzuipen liefdevol, natuurlijk. Het geluid alleen al: het plof-plof-plof van de bal op het water, het gebrul van de jongens die geen tijd hadden om adem te halen. Een storm in een zwembad.

Daarnaast ZIOG, vriendelijke levensgenieters die van een zwembad een huiskamer maakten met de ontelbare 24-uurs zwemmarathons in het voorjaar.

Scyllias, de duikers, die klonken alsof ze uit een mythische onderwereld kwamen Ski-li-jas, een woord dat zó soepel over de tong gleed dat je bijna wilde geloven dat het Grieks was voor “wij ademen water”.

De wachters van het water
En door het geheel zag je hen: Jan van de Vorle, Frank Prinsen, Joost Jansen en Ad van den Oetelaar. Vier wachters die met een fluitje, een blik of een knik hele generaties Udenaren door hun A, B en Vaardigheid 1 en 2 heen loodsten. Zij waren de ogen die alles zagen wat niet mocht, zelfs wat niet kon.

En heus… het bad leefde zeven dagen per week.
De basisscholen uit Uden en toen nog gemeente Zeeland, de Koninklijke Luchtmacht van Volkel – iedereen probeerde dat water warm te houden met hun eigen verhalen.

Het ritueel na het zwemmen
Maar… alle inspanning, al die sprintjes van het startblok, die zinderende waterpolowedstrijden, die zweminstuiven waarbij je dacht dat het nooit donker zou worden alles kwam neer op één heilig ritueel:
Friet met mayo en een cola bij Club-Olympus.

Henk Ancher, de maestro van de mayo
O, Henk Ancher… Wie hem niet kent, kent het zwembad niet.
Je stapte door die deur, nog druipend, het haar kleverig van het chloor, de ogen rood van het duiken. En daar lag het: de geur van versgebakken friet die elke gedachte in je hoofd naar één punt dirigeerde eten. Die mayo was geen saus, dat was balsem voor de ziel. En die cola… oei, die prikte niet, die zong.
En dan dat tafeltje. Zo dicht op de randen van de “hoge”, het iconische diepe bad, dat je de badgasten haast kon aanraken. Sterker nog: als iemand een iets te enthousiaste bommetje maakte, kon jouw cola gaan rimpelen.

Een dorp dat ademde in water
Het zwembad leefde. Het ademde. En het voedde een dorp.
Het bad is verdwenen. De stenen zijn weg. Maar de herinnering? Die blijft zwemmen. En niet zachtjes ook nee, in borstcrawl, met waterpolofurie, met de smaak van mayo nog op de tong.

Echo’s in het heden
En ergens hoor je de oude stem van Henk Ancher, een zucht die nu haast poëzie is:
“Twee friet mayo en twee cola… wie had die ook alweer?”

En dan weet je:
Het was Uden.
Het was jĂłuw Uden.
En het leeft nog.
In jou.
In ons.
In een tijd die blijft rondcirkelen als een eindeloos baantje in De Wel.

Fotograaf: Onbekend. Fotorestauratie en inkleuring: Huub de Goeij.