
Ik liep daar als kind, zonder dat ik wist dat het bijzonder was. In 1971 ging ik voor het eerst naar school, laat in het jaar geboren en dus gewoon mee met de lichting van ’67. De Kapelstraat in Uden, met aan de ene kant het klooster en aan de andere kant de Mariaschool, en precies daartussen lag mijn begin: de kleuterschool De Engelbewaarder.
De dag begon altijd hetzelfde. Met een gebed. Op de kleuterschool was dat het Wees Gegroet Maria. Kleine stemmen, nog wat onwennig, maar allemaal tegelijk, alsof je meteen in een ritme werd getrokken waar je niet aan kon ontsnappen. Later, op het voortgezet onderwijs, werd dat het Onze Vader. Het hoorde erbij, net zoals de jas aan de kapstok en het zitten op je stoeltje. Je dacht er niet over na, zo ging dat gewoon.
In mijn eerste kleuterklas zat ik bij juffrouw Van Dijk. Dat was nog een gewone juf, iemand van buiten het klooster, al voelde dat toen helemaal niet zo. Het jaar daarna kwam ik bij Zuster Damiani, en daarmee stapte ik weer volledig die andere wereld in. Een zuster in het bruine habijt van de franciscanessen, rustig, beheerst, met een aanwezigheid die meer zei dan woorden ooit konden doen.
En nee, die leidsters hadden geen voornaam. Dat haalde je je niet in je hoofd. Het was juffrouw Van Dijk of Zuster Damiani, en daarmee was alles gezegd. Dat gaf meteen afstand, maar ook duidelijkheid. Je wist wie zij waren en wat jouw plek was.
Binnen rook het naar jassen, krijt en die typische schoollucht die je alleen daar had. Kleine tafeltjes, lage stoeltjes, alles nog overzichtelijk en klein. Maar de structuur was groot. Alles had een vaste plek, een vaste volgorde, een vaste manier van doen.
Maar eerlijk is eerlijk: ik vond er niks aan. Terwijl anderen speelden en lachten, zat ik daar en voelde ik het al. Dit was geen spel, dit was het begin van iets wat lang zou duren. En ergens, als kind al, wist ik het bijna zeker: dit gaat nog jaren zo door. De komende twintig jaar zouden zwaar worden op school, dat gevoel zat er toen al in.
Buiten op het schoolplein was er ruimte om te rennen en te spelen, maar zelfs daar voelde ik dat er grenzen waren. Je wist wanneer het kon en wanneer het klaar was. Eén blik van de zuster was genoeg. Geen geschreeuw, geen gedoe, gewoon orde.
Alles hoorde bij elkaar en dat maakte het zo sterk. De zusters kwamen uit het klooster, liepen zo de school binnen en namen hun manier van leven mee de klas in. De Engelbewaarder was geen los gebouw, maar een schakel tussen het klooster en de lagere school. Ik begon daar en liep daarna zonder echte overgang door naar de Mariaschool. Het voelde niet als een nieuwe stap, maar als doorgaan op dezelfde weg.
Niemand sprak over onderwijsvernieuwing of methodes. Het was helder en overzichtelijk. Misschien juist daarom werkte het. Iedereen wist waar hij aan toe was.
Nu is dat systeem verdwenen. De zusters zijn weg, het klooster heeft een andere functie gekregen en alles is los van elkaar komen te staan. Maar als ik eraan terugdenk, zie ik het weer voor me. Dat begin in 1971, dat gebed in de klas, die namen zonder voornamen, en dat gevoel dat het leven op school toen eigenlijk al vastlag.